|
WIM VOERMANS HOME PAGE |
|
|
|
|
|
|
|
De zin van aantekening houden. Zie enkele
recente verhalen (hieronder)
en onder de grijze knoppen stukjes en krantenstukken (links). Kijk,
we mankeren allemaal wel wat. De een dit, de ander dat. Het verschil zit ‘m
er vaak alleen maar in hoe je er mee om gaat. Wat voor de een een kleinigheid is, is voor de ander een onoverkomelijke
kwelling. En andersom weet bijvoorbeeld zo iemand Patty Brard zich
gemakkelijk over haar beperkingen heen te zetten, terwijl een ander met zo’n aandoening denkelijk de hand aan zichzelf zou slaan.
Bij mij dan dus dat dialect. (Lees verder…) Waaiweer, alleen met mijn gedachten. Op zulke
momenten komt hij wel eens langs drijven: Rocky Butz. Kijk, alle mensen zijn
dan misschien verschillend, maar er zijn er maar een paar echt anders. Bertus
van Helvoirt, bijvoorbeeld. Wie? Precies: Rocky Butz. (Lees meer…) Het moest er dan maar eens van komen. Het verhaal over
Lieske. Geen Elise, Betje of Lies, maar Lieske, volgens het nooit vleiende
bijnamenregister. In het beste geval spottend uitgesproken, maar meestal in
de sleutel van denigrerend, afkeurend gesis. Lieske.
(Lees meer…) Van sommige
mensen begrijp je niet wat ze in elkaar zien, waarom ze van elkaar houden. En
misschien doen of deden ze dat ook wel helemaal niet. Zoals Jan en Trien.
Luister. Het was aardedonker wanneer ik er naar toe reed in de winter. Een
uur of zeven in de ochtend. ‘Melk halen.’ Dat was mijn taak. Een dubbeltje in
de zak van mijn jas en een grote vertinde ijzeren vierliter kan van aan mijn
stuur. Moeilijk om je evenwicht te bewaren, want mijn fiets was, net als ik,
klein. En geen licht er op natuurlijk. Je zag in de winterochtend geen hand
voor ogen op dat uur. Op dat kleine wakkerende lichtje na. Dat wakkerende
lichtje van de olielamp uit de bijkeuken van Jan en Trien driehonderd meter
verderop. Tegenzin, wat zeg ik weerzin, en koud. Echt koud. Januari 1968. (Lees meer…) Je kunt het natuurlijk ook te gek maken, met je
engagement. Dat deed Van Gruis. Die ene dinsdagmiddag in november – grijs en
treurig weer buiten, schemerdonker al om drie uur ’s middags – was het zoals
zo vaak weer eens raak. (Lees meer…)’ Had je alles van te voren geweten, dan had je er veel meer van kunnen
maken, meer mee kunnen doen, niet? Maar ja, hoe kan je nu iets van te voren weten? 29 oktober
1981. Fabiënne –
die kennen we via Goos – werkt nog maar net bij het uitzendbureau. Ze heeft
beloofd ons snel en bij voorrang te bellen. Eigenlijk is het geen
echt uitzendbureau. Meer een koppelbaas. Doet er niet toe, we nemen alles
aan. Als het maar niet te lang duurt en als het maar veel opbrengt. Ze belt,
maar al om 10 uur en dan zijn we natuurlijk nog niet wakker. Met stift is er
op Hans zijn deur geschreven: Fabiënne terugbellen 45140. (Lees verder…) Met een noodgang passeerde hij
ons erf op zijn fiets, ging in het voorbijgaan snel met een voet op het zadel
van zijn fiets staan, en zwaaide, twee handen aan het stuur een been naar
achteren. Zo hard als hij kon riep ie dan:
“Koekoek!! Koekoek!! Dat was het handelsmerk van
Toontje de Vullik. Een zwerver met een rode neus van de drank en een gekke gedeukte pet op zijn hoofd. Swiebertje, maar dan een
zonder tanden, zwarte vegen in zijn gezicht en een verstikkende lichaamstank. (Lees verder…) Een moment van totaal esthetisch geluk. Hoe vaak maak
je dat nou mee? Eerst was er al die fiets geweest. Die lag daar gewoon midden
op Bisschop Zwijssenstraat om 4:45 u. in de
ochtend. Verlaten, verloren. Het achterwiel draaide nog. Helemaal alleen op
wat overdag een drukke doorgaande weg is. Nu uitgestorven en stil. Op het
ratelen van dat draaiende wiel na, verstrooid in merelzang. Geen mens in de
buurt. De rest was al een beetje vooruit gefietst. Vrolijke stemmen die tegen
het plafond van het nog koude uur blauw weerkaatsten. Het uur waarin de nog
onzichtbare zon over de randen van de horizon likt en de hemelkoepel in
waasazuur oplicht. Ligt daar ineens die fiets. Houd je toch ook geen rekening
mee. (Lees verder…) Heb je toch
ook wel eens? Dat je even denkt hoe het allemaal anders had kunnen lopen? Niet van dat
nostalgische gemijmer of gesnotter over gemiste kansen, nee gewoon de gang
der dingen. Over de minuten, seconden, momentjes die – zonder dat je van
enige keuze bewust was – bepalend zijn geweest voor de loop van je leven.
Gebeurtenissen waaruit een logische reeks van gevolgen voortvloeide, waaruit
een onomkeerbaar consequentieel pad zich ontrolde. Wat als (…) het op de ochtend van die 22ste
mei 1981 anders was gelopen? (Lees meer…) De Tweede
wereldoorlog klopte overal aan in Nederland, maar kwam niet overal binnen.
Voor mijn vader, zo’n jaar of acht in 1944, vloog
die vooral over. Engelse vliegtuigen die de spoorlijn tussen Breda,
Roosendaal en Antwerpen beschoten en bombardeerden. Samen met zijn twee jaar
jongere broer Toon klom hij ’s nachts op het gewelfde dak van de boerderij
aan de Lage Donk om er het spektakelvuurwerk te bekijken…… (Lees verder…) Waarom doen
mensen gekke dingen in groepen? Geen idee eigenlijk,
maar we doen het. Het beest in ons wordt vooral wakker in de kudde. In een
onschuldige vorm tijdens carnaval of in het Heineken huis bij de Olympische spelen, wat grauwer op of rondom tribunes
bij voetbalwedstrijden, of na de eerste charge in een demonstratie. In een mensenmassa
wil je niet achterblijven, word je opgezweept. Zonder schaamte meestal. Want
een club legitimeert je daden. (Lees meer…) ·
Le Bistro (zonder t) (2009) ‘Een geintje.
Zaterdagavond. De zaak zit als gewoonlijk helemaal vol. Er hangt zelfs een
lange stoet van wachters aan de bar. Lui die azen op tafeltjes waarvan wij
hebben gelogen dat die hooguit binnen een kwartier vrij zullen komen. Onderwijl schenkt Peter – de eigenaar – zichzelf het
zoveelste biertje in. Jupiler uit bruine flesjes met een goudgerande kraag.
Een beetje exotisch in 1981, zoals alles in Le Bistro exotisch is.’….. (Lees verder…) ·
Vechten! (2008) Ze waren snel, ze waren sterk en ook nog eens met
zijn tweeën, de mannen van Ruysenaers. Maar ze waren niet alleen. Er waren er
meer zoals zij. En die kwamen allemaal bij elkaar in de Katerstraat in Zundert. Dat ze
zouden vechten stond vast, maar nog niet altijd met wie of waar. Die van
Ruysenaers waren er altijd op uit, elk weekend en als het zo uitkwam, ook
door de week… (Lees meer…) ·
Kippen laden (oktober
2008) ‘Als fladderende vleermuizen vielen ze uit het
aardedonker op ons erf, met niet meer aankondiging dan het muggejanken van
hun opgevoerde Kreidlers en Zündapps dat je kilometers ver door de stille
nacht aan kon horen komen. De kippenvangers.’… (Lees verder…) Ik weet niet precies waar ze 'm
vandaan hebben gehaald. Maar ineens was die er, de Volkswagen Kever. Onze
allereerste auto. Mijn ouders schaften hem aan in 1964. Tot dan reden ze een
Sparta brommer. (Lees verder…) |
|
|
|
|
|
|